Paragraaf B: Weerstandsvermogen en risicobeheersing

Inleiding

Overeenkomstig de financiële verordening van onze gemeente heeft de raad op 12 juli 2010 de beleidsnota “Weerstandsvermogen en Risicomanagement 2010” vastgesteld. In deze nota gaan we vooral in op de risicobeheersing, het beleid voor het opvangen van risico’s en de beschikbare weerstandscapaciteit. In de nota hebben we tevens het gewenste weerstandsvermogen bepaald. De nota bevat ook de kaders voor deze paragraaf. Tot slot heeft deze nota een relatie met de beleidsnota “Reserves en Voorzieningen 2010”. In december 2013 heeft de Raad de nieuwe systematiek vastgesteld voor het bepalen van het weerstandsvermogen. Deze systematiek wordt sinds de Perspectiefnota 2015 gehanteerd.

In deze paragraaf proberen we een antwoord te geven op de vraag hoe groot het “weerstandsvermogen” (weerstandscapaciteit minus totaal van alle risico’s) van onze gemeente is. Hiervoor geldt een drietal invalshoeken:

  1. Wat zijn de (stille) reserves van de gemeente?
  2. Welke verplichtingen staan hiertegenover en welke risico´s loopt de gemeente?
  3. Wat is de vrije capaciteit (belasting en bespaarde rente)?

Daarnaast gaan we in op enkele financiële indicatoren die conform de BBV-voorschriften met ingang van de begroting 2016 en jaarrekening 2015 moeten worden opgenomen.

Reserves en voorzieningen

Om inzicht in de reserves en voorzieningen te krijgen is in de voorschriften een onderscheid gemaakt tussen de reserves (algemene reserve en bestemmingsreserves) en voorzieningen.

Reserves zijn middelen waaraan de gemeente een bestemming kan geven. Bij bestemmingsreserves heeft de gemeenteraad een besluit genomen over de aanwending. Een algemene reserve heeft, behoudens claims op basis van besluitvorming, geen bestemming en dient als buffer voor algemene, niet kwantificeerbare risico´s.

Voorzieningen zijn middelen die gereserveerd zijn voor verplichtingen waarvan de omvang onzeker is, maar die redelijkerwijs te verwachten zijn. Voorzieningen dienen naar beste schatting dekkend te zijn voor de achterliggende verplichtingen (bijvoorbeeld onderhoudsplannen gebouwen). In deze jaarrekening, in de staat van reserves en voorzieningen, is een cijfermatig overzicht opgenomen van alle reserves en voorzieningen, met hun omvang en de (geraamde) mutaties.

Weerstandsvermogen en weerstandscapaciteit

Als uitgangspunt geldt dat er sprake is van een financieel risico als in de gevolgen niet kan worden voorzien door verzekeringen, specifiek in de balans opgenomen voorzieningen en de lopende begroting / exploitatie. Voor de gemeente betreft het risico’s in de sfeer van calamiteiten, bovenmatige kostenontwikkelingen en mogelijk nadeliger inkomsten, wat een beslag betekent op de algemene- en bestemmingsreserves. Hiertoe dient dan een minimale buffer (weerstandscapaciteit) aanwezig te zijn om financiële gevolgen op te kunnen vangen. De berekening van de beschikbare weerstandscapaciteit voor de begroting 2017 is als volgt:

Berekening weerstandscapaciteit

Begroting 2017

Algemene reserve

€ 3.259.139

Algemene reserve Grondexploitatie

€ 4.192.524

Bestemmingsreserves Grondexploitatie

€ 3.445.086

Totaal reserves

€ 10.896.749

Bij: stille reserves (marktwaarden > boekwaarden)

€ 4.535.300

Totaal reserves na correctie

€ 15.432.049

Bij: Onbenutte belastingcapaciteit (t.o.v. art 12 status)

€ 2.151.637

Bij: Onbenutte ruimte kortlopende rente

€ 0

WEERSTANDSCAPACITEIT

€ 17.583.687

Ten opzichte van de cijfers gepresenteerd in de jaarrekening 2015 is de capaciteit afgenomen met circa € 2,0 miljoen. Dit wordt vooral veroorzaakt door een lagere stand van de algemene reserve en de algemene reserve grondexploitatie. Dit komt vooral door uitnamen uit de algemene reserve voor het investeringsprogramma verkeer (IPV, € 1.981.000 in 2016) en het verwachte verlies voor de grondexploitatie in 2016 (€ 510.000).

Op grond van het BBV (Besluit Begroting en Verantwoording provincies en gemeenten) brengt de gemeente op basis van een risicoprofiel het financiële weerstandsvermogen in beeld. Hier gaan we in het vervolg van deze paragraaf op in.

Risico-inventarisatie

Bij de samenstelling van de beleidsnota “Weerstandsvermogen en Risicomanagement 2010” heeft een inventarisatie plaatsgevonden van de mogelijke risico’s die de gemeente in algemene zin kan lopen. De cijfers worden meerdere malen per jaar geactualiseerd. Ook voor de begroting 2017 is hier opnieuw kritisch naar gekeken. De doorkijk op het totaal van alle risico’s geeft een objectief beeld voor een minimaal aan te houden buffer. We merken op dat de gevolgde methode van inschatting (kansberekening) van risico’s, inhoudt dat deze risico’s feitelijk niet te kwantificeren zijn. Zodra de risico’s reëel te kwantificeren zijn, is er sprake van een verplichting en moet een toereikende voorziening worden gevormd. Ten opzichte van andere jaren hebben wij de inschatting van de risico’s niet jaarlijks gelijk gehouden. Door actieve risicobeheersing kunnen wij het risicobedrag verlagen. Daarnaast verlagen grondverkopen ook het risicobedrag. Wij komen hierop terug in de meerjarige doorkijk, die later in deze paragraaf wordt gepresenteerd.

Onderstaande tabel en de toelichting per programma is gebaseerd op de nieuwe programma-indeling welke vanaf de begroting 2017 wordt gehanteerd in verband met de vernieuwing BBV 2017, zoals ook vastgesteld in de gemeenteraad.

Begroting 2017

Max. risico

Kans %

Uitkomst

Programma 0 Bestuur en ondersteuning

€ 35.960.598

8,58%

€ 3.085.165

Programma 1 Veiligheid

€ 10.600.000

5,42%

€ 575.000

Programma 2 Verkeer en vervoer

€ 7.250.000

8,90%

€ 645.000

Programma 3 Economie

€ 1.000.000

10,00%

€ 100.000

Programma 4 Onderwijs

€ 0

0,00%

€ 0

Programma 5 Sport, cultuur en recreatie

€ 1.850.000

7,46%

€ 138.000

Programma 6 Sociaal domein

€ 2.700.000

20,19%

€ 545.000

Programma 7 Volksgezondheid en milieu

€ 4.050.000

8,46%

€ 342.500

Programma 8 Volkshuisvesting, ruimtelijke ordening en stadsvernieuwing (VHROSV)

€ 1.795.000

24,85%

€ 446.000

Grondexploitatie (als aanvulling op programma 8)

€ 40.906.457

16,66%

€ 6.814.189

Totaal programma's

€ 106.112.055

11,96%

€ 12.690.854

Het "gemiddelde" kanspercentage per programma / paragraaf is het resultaat van de kansberekeningen van alle risico's per (deel)product. Het totaal gemiddelde kanspercentage is 11,96%. Wanneer we hierin een splitsing aanbrengen tussen grondexploitatie en algemene dienst, dan bedraagt het gemiddelde kanspercentage, respectievelijk 16,66% en 9,01%. Ten opzichte van de risico’s zoals ingeschat bij de jaarrekening 2015 is de totale uitkomst van geschatte risico’s afgenomen met € 673.745 (was € 13.364.599). De grootste veranderingen ten opzichte van de jaarrekening 2015 worden hieronder opgesomd:

  • Risico’s grondexploitatie: deze risico’s zijn in totaal afgenomen met circa € 60.000. Dit is als volgt te verklaren:
    • Het risico voor het project Vliegende Vennen Noordoost is vanwege grondverkopen gedaald met € 33.000;
    • Het risico voor het project Eikenveld Hulten is vanwege een gunstige aanbesteding voor het bouw- en woonrijp maken gedaald met € 27.000.
  • Risico’s algemene dienst: deze risico’s zijn in totaal afgenomen met circa € 614.000. Hieronder de belangrijkste wijzigingen ten opzichte van de jaarrekening 2015:
    • Het risico voor de ambtenarenhypotheken is met € 122.000 gedaald als gevolg van extra aflossingen die zijn gedaan;
    • Het risico voor aansprakelijkheidstellingen als gevolg van werkzaamheden met groot materieel overlapte deels met een risico dat al was opgenomen onder min of meer dezelfde strekking. Daarom is dit risico verlaagd met € 100.000;
    • Door, voor de gemeente, gunstige ontwikkelingen in een lopende ruimtelijke procedure, is dit risico gedaald met € 117.000;
    • Het risico waarbij de rijksbijdrage voor het WWB inkomensdeel niet toereikend is in verhouding tot de uitgaven, is gedaald met € 200.000. In de Perspectiefnota 2017 is namelijk vanaf 2017 een nadeel verwerkt in de begroting van € 200.000, hetgeen gelijk is aan het risicobedrag dat voorheen opgenomen. Hierbij is al rekening gehouden met de vangnetregeling;
    • Het risico van bovenmatige arbeidskosten door aanzienlijke verloftegoeden en -aanspraken is gedaald met € 75.000. Dit als gevolg van nieuwe cao regels die zijn gaan gelden met betrekking tot het beperkt meenemen van verlof en de overgang naar de ABG organisatie.

Risico's per programma

Binnen dit onderdeel gaan we per programma in op de belangrijkste geïnventariseerde risico’s:

Programma 0 Bestuur en ondersteuning
Binnen dit programma hebben we de risico’s die betrekking hebben op de bedrijfsvoering (inclusief personele aangelegenheden) apart in beeld gebracht. In principe horen deze risico’s thuis bij de nieuwe ABG-organisatie. Echter, omdat deze organisatie in haar eerste jaar nog niet over een weerstandsvermogen beschikt, hebben we deze risico’s toch opgenomen binnen de begroting van Gilze en Rijen. Het gaat hierbij om rechtspositionele en arbeid gerelateerde zaken. Ook is er een risico meegenomen voor extra kosten op het gebied van externe advisering en juridische aangelegenheden. Daarnaast staan op dit programma de bestuurlijke risico’s verantwoord (Raad en College van B&W), welke vooral van politiek, juridische en rechtspositionele aard zijn. Tot slot is het risico voor hypothecaire geldleningen verwerkt in dit programma.

Programma 1 Veiligheid
Hier zijn risico’s opgenomen in de sfeer van mogelijke calamiteiten (waarbij aansluiting is gezocht bij het rampenplan).

Programma 2 Verkeer en vervoer
Belangrijke risico’s binnen dit programma hebben te maken met het dagelijks en geprogrammeerd onderhoud en grote werken op het gebied van bestratingen, asfalt en zandwegen. Het kan hier gaan om bovenmatige kosten, faillissementen van bedrijven of onvoorziene kosten als gevolg van de werkzaamheden, zoals verzakkingen, schades en dergelijke.

Programma 3 Economie
Hier worden de risico’s van recessie en mogelijke bedrijfssluitingen benoemd.

Programma 4 Onderwijs
Belangrijkste risico is bovenmatige kosten voor leerlingenvervoer, mede omdat dit in principe een openeindregeling is.

Programma 5 Sport, cultuur en recreatie
Bij dit programma is er voor diverse instellingen en verenigingen rekening gehouden met het risico van aanvullende subsidies, liquidaties en faillissementen en/of privatiseringen.
Programma 6 Sociaal domein
Voor de (financiële) gevolgen van de 3 decentralisaties is een risico opgenomen binnen dit programma. Daarnaast zijn er risico’s bij de uitkeringen voor de bijstand. Fluctuaties zijn mogelijk in aantallen bijstandsgerechtigden met daarnaast consequenties voor de Wet Werk en Bijstand (WWB). Tot slot is ook voor de Wet Maatschappelijke Ondersteuning (WMO), een openeindregeling, de bovenmatige kostenontwikkeling onvoorspelbaar en dus opgenomen als risico.

Programma 7 Volksgezondheid en milieu
Opruimingskosten voor oliesporen, asbestverwijdering en drugsdumpingen zij verantwoord binnen dit programma. Daarnaast ligt er een risico zijnde bovenmatige kosten voor de Omgevingsdienst Midden- en West Brabant (OMWB). Ook is bodemverontreiniging meegenomen als belangrijk risico, inclusief de vondst van eventuele explosieven.

Programma 8 Volkshuisvesting, ruimtelijke ordening en stadsvernieuwing (VHROSV)
De risico’s binnen dit programma zijn hoofdzakelijk gelegen in de sfeer van mogelijk lagere opbrengst vanuit bouwleges. Daarnaast zijn er risico’s opgenomen voor aansprakelijkheidstellingen in ruimtelijke procedures (o.a. planschades).

Grondexploitatie (als aanvulling op programma 8)
Voor de grondexploitatie zijn de risico’s eveneens in beeld gebracht. Per complex is beoordeeld welke mogelijke risico’s er zijn met bovenmatige kosten of minder opbrengsten tot gevolg. Hierbij kan men denken aan tegenvallende kosten in de eindfase van een complex, subsidies, stagnerende verkopen, renteverliezen, afwikkeling van planschades, tegenvallende aanbestedingen, langere doorlooptijden, afwaarderingen, etc.

Risicoprofiel

Het totaal van de geïnventariseerde risico’s na kansberekening bedraagt € 12.690.854. Hiervan heeft
€ 6.814.189 (54 %) betrekking op de grondexploitatie en € 5.876.665 (46 %) op de algemene dienst. Wanneer we de risico’s binnen de algemene dienst nader onder de loep nemen, dan blijkt dat het grootste deel van deze risico’s van incidentele aard is, te weten € 3.902.025 (66 %). Er resteert dus een bedrag van € 1.974.640 (34 %) aan structurele risico’s. Ook kunnen we de risico’s qua omvang verdelen in risico’s onder de € 100.000 en gelijk aan of boven de € 100.000. Hieruit blijkt dat de risico’s onder de € 100.000 gezamenlijk een bedrag vertegenwoordigen van € 2.134.656 (36 %). Hiermee resteert € 3.742.009 (64 %) aan risico’s gelijk aan of boven de € 100.000.

Wanneer we de reeks risico’s binnen de algemene dienst schikken op kanspercentage, omvang
(< € 100.000 / ≥ € 100.000) en aard (incidenteel/structureel), dan ontstaat het volgende beeld:

Dekkingsbron risico's en weerstandscapaciteit

Een onderverdeling naar weging van risico’s geeft het volgende beeld:

Categorie

Risicobedrag

Beperkte incidentele en structurele risico's (*)

2.752.869

Risico’s grondexploitatie

6.814.189

Overige incidentele en structurele risico's

3.123.796

Totaal

12.690.854

*) risico’s met een kanspercentage kleiner of gelijk aan 10%.

Afgezet tegen het beschikbare weerstandsvermogen, verminderd met claims op dit vermogen, ontstaat onderstaand beeld:

Categorie

Risicobedrag

Dekking

Beperkte incidentele en structurele risico's

2.752.869

6.686.938

Risico's grondexploitatie

6.814.189

7.637.610

Overige incidentele en structurele risico's

3.123.796

3.259.139

Totaal

12.690.854

17.583.687

Algemene conclusie

Het totale risicobedrag voor de begroting 2017 bedraagt € 12.690.854. Afgezet tegen het weerstandsvermogen van € 17.583.687 betekent dit dat we voldoende weerstandcapaciteit hebben om deze risico’s te dekken (saldo absoluut € 4.892.832 (relatief 139%). Voor de volledigheid schetsen we hieronder een meerjarig beeld van het weerstandsvermogen ten opzichte van de geïnventariseerde risico’s.

Ontwikkeling weerstandscapaciteit 2016 - 2023

In onderstaand overzicht schetsen wij, naast de situatie op basis van de begroting 2016 en 2017, de ontwikkeling van de weerstandscapaciteit voor de jaren 2018-2023. Het betreft een actualisatie van de gegevens die wij bij de perspectiefnota 2017 hebben gepresenteerd.

  Bedragen x € 1 mln.

2016

2017

2018

2019

2020

2021

2022

2023

Weerstandsvermogen

17,6

17,6

14,5

16,2

16,8

12,0

11,2

11,0

Risico's

12,7

12,6

12,5

12,4

12,3

12,2

12,1

12,0

Weerstandscapaciteit (absoluut)

4,9

5,0

2,1

3,8

4,5

-0,2

-0,9

-1,0

Weerstandscapaciteit t.o.v. Risico's (relatief)

139%

139%

116%

131%

137%

98%

93%

92%

Aan de afspraak dat het weerstandsvermogen en de risico’s zich als 1:1 verhouden, kunnen wij op basis van de huidige inzichten vanaf 2021 niet voldoen. De afgelopen jaren hebben we gezien, dat voornamelijk door ons renteresultaat, wij positieve jaarrekeningsaldi hebben gerealiseerd. Wel moet gezegd worden, dat dit jaarrekeningpotentieel deels onder druk staat vanwege de nieuwe BBV regels omtrent rentetoerekening. Desondanks willen wij de komende jaren de jaarrekeningsaldi, net als in 2015, blijven gebruiken om ons weerstandsvermogen te verbeteren.

In onderstaande grafiek wordt e.e.a. grafisch weergegeven:

Conform de BBV-voorschriften moeten we met ingang van de begroting 2017 enkele financiële indicatoren presenteren: